LEESOBSERVATIES

Judas pakte totaal anders uit dan ik in het begin verwachtte. Ik stond gewoon op het verkeerde been toen ik aan het boek begon: ik herkende het niet als een nieuw boek van een van mijn favoriete schrijvers. Waarom zoveel theorie? Dit is toch een roman!? Ik las door want Oz had me nog nooit teleurgesteld.

Achteraf is dit verhaal de ultieme droom van menige intellectuele adolescent. Met een hoofd vol idealen begin je na de middelbare school aan je studie om al snel te constateren dat het gebodene je helemaal niet bevredigt. Eigenlijk ben je gepreoccupeerd met je eigen onderwerp dat niets met de studie te maken heeft. Dat geldt voor hoofdpersonage Sjmoeël Asj. Waar bijkomt dat hij een blauwtje heeft opgelopen.

Dan leest hij een oproep die een nieuw leven voor hem uitrolt: voor een invalide intellectueel is men op zoek naar een geduldige luisteraar en gesprekspartner. Gratis kost en inwoning + een bescheiden maandelijkse toelage. Als hij arriveert voor zijn sollicitatie blijkt er ook een aantrekkelijke vrouw van bijna middelbare leeftijd in huis te wonen: Atalja Abarbanel. Dit zijn toch ingrediënten waar een gefrustreerde intellectueel van smult?  

Ik suggereerde hierboven dat er nogal wat theoretische verhandelingen in het boek zijn opgenomen. Toch weet Oz die mooi te verweven met de lotgevallen van zijn personages, waardoor ze op hun plaats vallen en de vaart er niet uitgaat. 

Je krijgt interessante informatie over de rol van Judas in het lijdensverhaal, je leert veel over heden en verleden van Israël en je geniet van de intieme nabijheid van het leven daar.  

 

Voor liefhebbers van de Bijbel, Israël, idealistische gefrustreerde studenten, jonge mensen die ruzie hebben met de familie of lijden aan een verloren liefde en voor mensen die dromen van een intellectueel leven in de luwte

 

 

FRAGMENT(EN)

'...de hele stad, die altijd ineenkromp alsof ze elk moment een pak slaag verwachtte, Jeruzalem met zijn sombere stenen bogen en met de blinde bedelaars en met de verschrompelde vrouwtjes die urenlang roerloos in de zon op een krukje voor de ingang van hun duistere keldertjes zaten. De in hun gebedskleed gewikkelde bidders die bijna rennend als gebogen schimmen voorbijschoten van het ene steegje naar het andere, op weg naar de schemerige synagogen, de dikke sigarettenrook in de cafés met de lage plafonds vol studenten in dikke coltruien die allemaal wereldverbeteraars waren en elkaar allemaal voortdurend in de rede vielen. De vuilnishopen op de verlaten stukken grond tussen de stenen gebouwen. De hoge, gesloten stenen muren om kloosters en kerken. De grenslijn van barricades en prikkeldraadomheiningen en mijnenvelden die van drie kanten het Israëlische Jeruzalem omgaf en de scheidslijn vormde tussen het Israëlische en het Jordaanse Jeruzalem. Geweersalvo's 's nachts. De altijd bedrukkende gesmoorde wanhoop.'