LEESOBSERVATIES

Soms krijg je per ongeluk een goede leestip. Dat overkwam me met dit boek. In een rubriek die ik niet verder wilde lezen; m'n oog viel op een heel lange titel, die me meteen beviel. Na lezing van 'Wanneer wordt het eindelijk weer zoals het nooit geweest is', wilde ik alle boeken van Meyerhoff lezen.

Voor mij is goede humor heel belangrijk. Dat is begonnen met Bomans en loopt via Márquez, Melville, Pérez Galdós, Dickens en Maarten 't Hart naar Joachim Meyerhoff. In dit boek zitten alleen zoveel lachwekkende scènes dat ik nauwelijks kon kiezen. Zo is er een hoofdstuk waarin beschreven wordt hoe een suïcidaal meisje, dat tijdelijk in het gezin van de psychiater wordt opgenomen, hun hele leven verlamt met haar lethargie. Dit wordt zo goed verteld dat je het lezen wilt onderbreken om het aan anderen te vertellen of voor te lezen.

In het jarenvijftigdorp waarin ik ben opgegroeid, werd ik ook weleens geconfronteerd met mensen met een psychiatrische aandoening. Ik vond dat heel intimiderend. Voor Josse, de verteller, is dat dagelijkse kost. Hij slaapt zelfs in op het geschreeuw van patiënten. Gelukkig is zijn ouderlijk huis een eiland van veiligheid en liefde, waar de pijnpuntjes van buiten vakkundig worden weggemasseerd.

De vader, die geneesheer-directeur is, wordt door Josse beschreven als een ideale vader. Naarmate Josse ouder wordt, begint hij wel te beseffen dat die vindingrijke alles-weter toch vooral een man van woorden is. Afgezien van zijn werk, kan hij niet veel meer dan lezen en grootse plannen smeden. De prozaïsche praktijk laat hij aan zijn vrouw over. En er is meer dat het daglicht niet kan verdragen. Zoals je in een coming-of-age roman kunt verwachten, valt de vader van zijn voetstuk. Maar zelfs die ontmythologisering wordt heel liefdevol en mooi onder woorden gebracht door Josse.

Aan het eind wordt mooi uitgelegd hoe wij terugkijken op een besmet verleden. Als volwassen man bezoekt Josse het terrein van de psychiatrische inrichting waar hij zijn jeugd heeft doorgebracht. Alles is verbeterd, de hekken, het gebouw, de toediening van medicijnen, de deskundigheid, '...hoewel ik dat allemaal besefte, had de Hesterberg er in mijn ogen nog nooit zo somber, zo - anders kan ik het niet zeggen - zo troosteloos bij gelegen. Wat zou Josse weer graag inslapen op het '...nachtelijk geschreeuw uit duizend kelen, de kreten van de patiënten...'

 

FRAGMENT(EN)

'De volgende dagen vulde Marlene ons huis met haar allesomvattende passiviteit. Haar lethargie was uiterst besmettelijk. Het kwam voor dat we ineens allemaal als versteend voor ons uit zaten te kijken of dat mijn moeder op weg naar de badkamer doodmoe in de gang tegen de muur leunde. Marlenes nietsdoen spon ons in als een spin een verdoofd insect. Wanneer we samen met haar voor de televisie zaten, vielen onze ogen al om acht uur dicht. Tot tevredenheid van onze hond. Hij leek in Marlene eindelijk het rustpunt gevonden te hebben dat zijn dagenlange gepit achter de fauteuil rechtvaardigde. Als het meisje en de hond eindelijk vertrokken waren voor een wandeling, nadat mijn vader haar in een geraffineerde mengeling van aansporing en zachte dwang had overgehaald, leek het alsof de wereld in slaap zou vallen en de daken van de huizen zouden glijden, zo traag waren ze.