LEESOBSERVATIES

Schittering speelt tijdens het Thatcher-regime.

Guido: mager en de zoon van 'armzalige rijke mensen'.

Costantino: groot en arm.

Wat armzalige rijkdom inhoudt, wordt door Mazzantini mooi herkenbaar beschreven. 

Guido vindt de levens van de meeste anderen niet veel waard. Hij denkt dat zijn relatie met Costantino ook een 'lange beproeving' wordt.

Een scène doet me denken aan de kristallisatie die Stendhal beschrijft als eigenschap van verliefdheid. In de fantasie van een verliefd iemand wordt de ander mooier als hij/zij er even niet is. Als je weer samen bent, moet je het beeld weer aanpassen aan de werkelijkheid. Costantino en Guido kopen een suikerspin. 'Ze smolten meteen in onze mond, teleurstellend als het niets. De kwintessens van het zoetste bedrog, dat was toch echte liefde? Een handvol suiker, waarvan de moleculen veranderen, zet uit en verleidt ons, en verdwijnt dan zodra hij in contact komt met de warme holte van de ledematen, als de bedrieglijke materie van een droom.'

Guido trouwt met de Japanse Izumi: 'absoluut geen geisha, eerder zo'n hard potlood...' Toch gebruikt Izumi in huis materialen w.o. gordijnen, die de harde buitenwereld verzachten. Ze is minder hard dan ze eruitziet.

De favoriete spreuk van Izumi: vragen is een minuut schaamte, niet vragen is een heel leven lang schaamte. 

Mooie beeldspraak door het hele boek heen. Als Guido zijn dode moeder ziet liggen: '...haar huid die als een koude lap stof gespannen stond op het borduurraam van haar botten.'

Ware woorden: dat je alleen van geheimen sterk en onbesuisd wordt, knap en duivels, stralend van een zelf opgewekt licht.

Ik houd van de Guido die van jeugd houdt en zijn generatiegenoten vaak veracht. 

Wat mooi als je voelt dat de schrijver op dreef raakt! Dat de woorden zich moeiteloos aaneenrijgen. Dat hij/zij in een flow zit. Zie het fragment. 

FRAGMENT(EN)

'Mijn hele kindertijd lang had ik me eenzaam gevoeld. 's Ochtends vroeg was ze al perfect aangekleed en opgemaakt, ze gaf de huishoudster instructies en rende naar buiten alsof het huis om haar heen in brand stond. Urenlang, zeeën van onbeweeglijke tijd, maakte ik me een voorstelling van haar leven ver bij mij vandaan. Wanneer ik naar buiten ging, staarde ik naar de wereld als naar een moeras, in de hoop haar tegen te komen. In de speeltuin, spelend in het houten huisje, was ik altijd naar haar op zoek. Om te zien hoe ze wegliep uit dat anonieme groepje andere moeders, met haar trotse figuur, haar wilde schoonheid. Voor geen goud zou ik Georgette inruilen voor zo'n verhitte, opvliegende, liefhebbende vrouw. Ondanks al mijn ellende wist ik dat ik een bevoorrecht persoon was. Ik nam haar niets kwalijk. Ze was een idool, en idolen knielen niet om het snot van hun eigen kinderen weg te vegen. Ik vond het normaal dat ze niet het verlangen voelde om bij mij te zijn en haar tijd te verspillen aan steeds dezelfde onbelangrijke bezigheden. Ik stelde me voor hoe ze heel andere wonderen verrichte, boordevol toewijding, net als mijn vader. Ik leefde aan de voet van een altaar, van een schijnbeeld dat brandde van beloften. Ik bekeek mezelf gelukzalig in de spiegel om een druppel van haar schittering terug te zien. En als ik eraan terugdenk waren al mijn eigenaardigheden gewoon een manier om mijn weg naar haar te vinden, om te zorgen dat ze me interessant vond. Het enige wat ik wilde was op haar lijken. Naarmate ik ouder werd, leerde ik haar te provoceren en wanneer ik zag dat ze boos op me werd, met de ergernis van iemand die zijn eigen onverdraaglijke tekortkomingen herkent, glimlachte ik vergenoegd. Ik wist dat ik haar hart moest verdienen, dat niets vanzelfsprekend was voor haar. Haar buik was zo strak en hard als haar voorhoofd, en alleen als ik de enige foto van haar als zwangere vrouw opnieuw bekeek, voelde ik me beter en geloofde ik dat ze echt van mij was bevallen, want vaak twijfelde ik of ik niet was opgehaald uit een magazijn voor in de steek gelaten kinderen.'