LEESOBSERVATIES

Marco Lodoli. Italiaanse schrijver. Tot voor kort had ik nog nooit van hem gehoord En hoelang ik er ook over nadenk, ik weet niet meer hoe ik op het spoor van zijn boek Zuster gekomen ben. Omdat ik het zo'n goed boek vind, heeft die onduidelijke herkomst/afzender ook wel iets moois. Ik heb een neus voor goede boeken. Wel leuk om jezelf dan wijs te maken dat sommige boeken ongevraagd naar je toe komen.

Amaranta, 36 jaar en zuster in een klooster in Rome, gelooft eigenlijk niet in God. Ik kan het woord god hier beter niet met een hoofdletter schrijven, want zo groot is hij niet voor haar. 

Ze houdt ook niet van haar abdis en eigenlijk ook niet zo van het leven. Het is sowieso opmerkelijk dat zo'n vrouw intreedt in een tijd die zo a-religieus is en een kloosterlinge die wordt ingezet in het onderwijs kennen wij in elk geval in Nederland al heel lang niet meer. Nu betreft het hier een Italiaanse roman en in dat land, in het bijzonder in Rome, houdt men katholieke tradities langer in ere dan hier, dus een ordezuster voor de klas kun je daar nog aantreffen. Maar het is wel een zeldzaam exemplaar.

Zuster moet les gaan geven op de kleuterschool. Dat vindt ze verschrikkelijk. Ze houdt helemaal niet van kinderen. 

Nu zijn we meteen bij een van de beste invalshoeken van dit prachtige boek: de omschrijvingen van kindergedrag. Dat doet Amaranta zo goed dat je steeds denkt: zo is het, zo zijn ze inderdaad, wilde dieren. Een voorbeeld: een klas onder controle krijgen vergelijkt zij met pogingen om wind die uit vier windstreken tegelijk waait in een fles te vangen. Ik denk dat zelfs iemand die wel van kinderen houdt dit met haar eens is. Niet eerder heb ik de anarchie van kleine kinderen zo treffend beschreven gezien. Alles wat hen onuitstaanbaar maakt, wordt hier beschreven.

Een tweede belangrijke invalshoek is de existentiële eenzaamheid van Amaranta. Toen ik de roman uit had, was ik slecht te spreken over de afhechting van het verhaal. Maar nu denk ik ineens: nee, dit einde past juist perfect bij iemand die zich existentieel eenzaam voelt. Haar eenzaamheid is volgens mij constitutioneel, inherent aan haar wezen. Niets biedt soelaas. In haar rumoerige klas zit een jongetje dat haar perfect aanvoelt. Dat is de zwijgzame Luca, die graag bij haar komt staan. Als hij er niet is, mist Amaranta hem. Hij wordt haar plechtanker. Ineens begint hij haar woorden in te fluisteren, bijvoorbeeld 'sigaret' en 'steel'. Waarom doet deze jongen dat? En wat moet ze met deze imperatieve influisteringen? Zullen zij haar bevrijden? Is roken en stelen de uitweg?

Tenslotte iets over het taalgebruik in deze roman. Sommige boeken worden geschreven onder een gelukkig gesternte. Dat lijkt met deze roman ook het geval te zijn geweest. Elk woord staat op de juiste plek en de beeldspraak die de schrijver gebruikt, is de goede. Een voorbeeld: 'Ik ben een non, een rond, stilstaand meer.' Misschien schrijven dit soort boeken zichzelf.

FRAGMENT(EN)